4 jaar lang was
Oostenrijk een favoriet vakantie land van de familie Dekker.

Geografie:
Oostenrijk (officieel:
Republik Österreich) is een bondsrepubliek en ligt in het centrum van Europa.
Oostenrijk is ongeveer twee keer zo groot als Nederland. Het heeft landsgrenzen
met Zwitserland en Liechtenstein in het westen, Hongarije in het oosten,
Slovenië en Italië in het zuiden en Duitsland, Tsjechië en Slowakije in het
noorden. Een kwart van de oppervlakte van Oostenrijk behoort tot laag- en
heuvelland. De rest behoort tot het middel- en hooggebergte. De hoogste toppen
bereiken een hoogte van bijna 4000 meter. De hoogste berg is de Grossglockner,
bijna 3800 meter. Een groot deel van het land wordt ingenomen door de Oost-Alpen.

Naar het oosten daalt
het gebergte af naar het heuvelland van het Wienerwald en naar de laagvlakte.
Het Alpenvoorland loopt van de noordrand van de Alpen tot bij de hoofdstad Wenen.
Het is een gebied met heuvelruggen, bossen, weiden en brede dalen.
Oost-Oostenrijk bestaat uit vlakten en heuvelland. Onder invloed van het weer en
de flora en fauna eroderen de Alpen en ontstaat er een landschap met hoge pieken
en diepe dalen. Sneeuwlawines zijn een elk jaar terugkerend fenomeen en kosten
de nodige slachtoffers. 's Winters en in het voorjaar als de sneeuw gaat smelten,
is de kans op sneeuwlawines het grootst. Gletsjers zijn traagstromende ijs- en
sneeuwrivieren. De snelheid waarmee gletsjers zich kunnen voortbewegen bedraagt
in de Alpen 30 tot 150 meter per jaar. Oostenrijk telt ongeveer 2000
Alpengletsjers. De belangrijkste rivier van Oostenrijk, de Donau, stroomt
ongeveer 350 kilometer over Oostenrijkse bodem.
Oostenrijk telt ongeveer 90 meren. Vooral het stroomgebied van de Traun is rijk
aan meren, o.a. de Attersee, het grootste Alpenmeer van Oostenrijk.
Klimaat
Boven de 1500 meter heerst het hooggebergteklimaat. Kenmerkend zijn de grote
temperatuurverschillen tussen dag en nacht, zomer en winter en noord en
zuidhelling. Door de ijle lucht stijgt de temperatuur overdag snel.

In de nacht daalt de temperatuur daarentegen zeer snel. Boven de 1800 meter komt
de gemiddelde temperatuur in de zomer niet hoger dan 10 graden. Op 28 00 meter
begint de sneeuwgrens. Het verschil tussen de noordhelling en de zuidhelling kan
tientallen graden bedragen. Het heuvelland en de laagvlakten vormern de overgan
naar een landklimaat. Het zuiden gaat meer naar een mediterran klimaat met mooie
zomers en weinig regen. Het westen heet een klimaat met veel regen. De
gemiddelde neerslag bedraagt 620 mm. per jaar.
Met name in het
voorjaar waait de föhn, dat is een warme droge valwind die vooral waait in de
noordelijke alpendalen. De temperatuur kan dan in enkele uren tussen de 10
graden en 15 graden stijgen. Hierdoor veroorzaakt de föhn met name in de winter
vaak een groot lawinegevaar.

Wandelen naar Ladis
Planten en dieren
Oostenrijk is met 38 procent bos
een van de bosrijkste landen van Europa. De begroeiing van de berghellingen
verschilt door de temperatuurverschillen. Tot 800 meter zijn er veel akkers en
weiden. Boven de 800 metergrens zijn er loofbomen en nog iets hoger veel
naaldwouden. De boomgrens wordt bereikt na 1800 meter hoogte. Daarboven beginnen
de alpenweiden (Matten). In de winter liggen de weiden onder de sneeuw, maar in
de lente verschijnt een zeer gevarieerde begroeiing met felle kleuren.

Je kunt daar edelweiss,
anemoontjes, viooltjes, alsem, zeeroos, vuurlelie en sneeuwrozen tegenkomen.
Boven de 2200 metergrens groet er geen gras meer, en op de kale rotsen groeien
alleen nog wat mos en vetplantje. Boven de 2800 meter, het gebied van de eeuwige
sneeuw, vindt met alleen maar rotsen waar niets op groeit. De dierenwereld sluit
in veel opzichten aan bij die van het zuiden van Duitsland en Zwitserland.
In de Oostenrijkse bossen leven
herten, reeën, wilde zwijnen, vossen, dassen en eekhoorns. Af en toe kun je een
bruine beer zien. Lynx en wilde kat zijn door de mens in de Oostenrijkse natuur
gebracht.
In het hooggebergte leven
alpenmarmotten (Murmeltieren), sneeuwhazen, steenbokken en gemzen.
In de gemengde bossen leven de
spotvogel, auerhaan en verschillende soorten spechten en mezen.
In de rotsen broeden de gierzwaluw
en de rotszwaluw en rond en boven de boomgrens vind je de raaf, oehoe,
steenarend en de grootste roofvogel van Europa, de lammergier.
Verschillende soorten hagedissen,
kikkers en padden leven in de buurt van poelen en moerassen. Ook de
alpensalamander is een bekende verschijning.

Het meer van Ladis